Een vat vol verhalen

prassede

Waarvan gaat je hart in de fik? Vroeg Michèle. Tja .. aarzelend antwoord ik: “mensen, geschiedenis, verhalen, Rome.. . Maar wat moet je daar nou mee..” Gooi maar in mijn pet zou de Nederlander zeggen. Of zoals men in Rome kan doen: gooi het in de put der eeuwen. De kerk van Santa Prassede is zo’n vat vol verhalen over mensen uit alle tijden, en zelfs mijn 14-jarige gaste schrijft er een voetnoot bij.

De Romeinse zusjes Prassede en Pudentiana veegden hier letterlijk alle stukjes, botjes en beetjes van de omgekomen martelaren in een vat, een conditorium, een put. Het bloed veegden ze op met een spons. Dappere meisjes waren het die deze voor puberdames ongewone activiteit ook met de dood moesten bekopen. Vanwege hun nobele afkomst kwamen ze dan wel in een nette sarcofaag terecht.

Een ambitieus man, die Pascalis I

Een paar eeuwen later voegde de paus Pascalis I daar 2300 Christenen aan toe die begraven waren in de catacomben en voor het gemak maar allemaal martelaren werden genoemd. Een ambitieus man, deze Pascalis, die vluchtelingen uit Byzantium liefdevol opnam en ze gelijk aan het werk zette om hun beste bijdrage te leveren aan hun nieuwe stad. De mozaïeken uit ca 810 na Christus zijn vandaag dag nog steeds letterlijk schitterend, beeldend en rijk aan details. Je kunt er uren naar kijken. De kunstenaars veroorloofden zich zelfs wat meer vrijheid dan ze in Byzantium hadden.

Zo laten ze Petrus en Paulus liefdevol hun arm over de schouders van meisjes slaan. die duidelijk gespannen meisjes voor hun ontmoeting met de Grote Voorganger. Zou trouwens tegenwoordig niet meer kunnen, zo’n afbeelding van geestelijken die meisjes omhelzen.

Voor de nieuwe kerk die hij voor Prassede liet bouwen gebruikte hij het model van de basiliek van St. Pieter, de machtigste en mooiste kerk van Rome. Hij (her)gebruikte de zuilen en architraven van machtige Romeinse huizen en tempels om zijn kerk een oud en eerbiedwaardig aanzien te geven. Het schaalmodel van zijn kerk heeft hij in zijn hand op het absismozaïek, waar hij net zo groot opstaat als Petrus en Paulus. En dat is geen toeval. Ook de hele inscriptie eronder gaat er over dat Pascalis hoopt dat hij met dit geschenk zich toch echt een plekje in de hemel heeft verdiend. Geen woord over Prassede aan wie de kerk gewijd is.

De anonieme pelgrim

Ook de pelgrims in de 12e en 13e eeuw zagen de gouden mozaïeken als een visioen van de hemel, als ze na een lange tocht in Rome aankwamen om bijvoorbeeld in de nabijgelegen Santa Maria Maggiore te bidden. Er is een mooie grafplaat van één van hen die in deze kerk is begraven, waarop hij zo achterover lijkt te zijn gevallen tijdens zijn tocht.

Hij lijkt je aan te kijken terwijl hij je groet. Wie was hij? Hoever heeft hij gelopen? Wat heeft hij onderweg allemaal meegemaakt en hebben zijn dierbaren ooit geweten waar hij begraven werd? Hij is afgebeeld met de herkenbare mantel, met pelgrimshoed, -insigne, staf en tasje: de pelgrimsoutfit van de 13e eeuw. In gedachten komt de hexameter die mijn leraar Grieks zei om ons het ritme uit te leggen: “geef me mijn hoed en mijn jas en mijn stok want ik ga me ver-drinken.” Overigens draagt hij een snor, al uit de mode in de 13e eeuw.

Carlo en de werklieden

In de 16e eeuw trok de kerk de aandacht van een andere heilige, Carlo Borromeo, een strenge kerkhervormer. De tafel waar hij aan gegeten zou hebben hangt als relikwie in een zijkapel. Of misschien was het wel de eettafel van de werklieden die de kerk verbouwden en haar een moderner uiterlijk moesten geven en tegelijk ervoor zorgen dat de boel niet instortte. Een deel van de mozaïeken ging verloren, maar de rest bleef daardoor tot vandaag bewaard. De kerk wordt in ieder geval donkerder, het aantal ramen werd verminderd. Meer aandacht voor de preek, moet Carlo gedacht hebben.

De volgende etappe in de geschiedenis is een klein grafmonumentje waar je zo aan voorbij loopt: op een pilaar om de hoek. Maar als je omkijkt, wordt je direct getroffen door de levendige expressie van het beeld in de camee. Een man leunt naar buiten en kijkt je aan. Gaat hij wat tegen je zeggen? Er is maar één kunstenaar die marmer zo los weet te maken van het materiaal: Gianlorenzo Bernini. De grootste beeldhouwer en kunstenaar van de 17e eeuw. Hij woonde hier vlakbij en dit is zijn eerste publieke opdracht. Hij zal een jaar of 15-16 zijn geweest… Een genie waarvan de genialiteit altijd en overal door iedereen herkend kan en zal worden. Als je wil weten wat échte kunst met je doet, ga de beelden van Bernini zien in de Galleria Borghese. Alleen de grootste lomperik kan hier ongevoelig bij blijven.

De Tuin van het Paradijs

Maar de grootste schat van deze kerk is de Tuin van het Paradijs. Letterlijk. Een kleine zijkapel waar je door een poortje versierd met de mooiste antieke resten binnentreedt. Eigenlijk moet je deze in het donker bekijken, want in de middeleeuwen was er natuurlijk geen verlichtingsmachine die – frustrerend – alleen op euro’s werkt. Stel dat je die nu net even niet hebt.. Vaag zie je de Gouden Hemel, de aartsengelen houden de kosmos vast van waaruit Christus vriendelijk op je neerkijkt (je bent tenslotte in het paradijs, aan de goede kant van de grens zeg maar). En om hem heen zijn velden met bloemen en heiligen in luchtige Romeinse kleren en kekke sandaaltjes. Doe je wel een lichtje aan, zie je nog meer figuren: 4 dames. Dit is een vrouwenkapel.

Natuurlijk zien we onze zusters-in-martelaarschap, geflankeerd door Maria – altijd herkenbaar aan blauwe mantel en rood kleed – . Aan de andere kant een dame met een vierkante halo ten teken dat zij nog leefde toen het portret werd gemaakt. ‘Theodora episcopa’ staat erbij. De bisschop Theodora? Zij is onderwerp van een verhit debat over de rol van de vrouw in de vroege kerk. Maar belangrijker is dat dat zij de moeder is van Pascalis. Als een goede Italiaanse jongen eerde hij zijn moeder boven alles en bouwde hij dit mausoleumpje voor haar. Dicht bij de relikwieën van de dames Prassede en Pudentiana en in zijn eigen kerk. Mooi gebaar toch.

Deze mozaïeken zijn vast door leerlingen gemaakt, want ze zijn wat minder gaaf dan elders in de kerk. Dat viel ook op aan een meisje van 14 met wie ik de kerk bezocht. Een beetje verlegen, misschien door de verhalen over haar leeftijdsgenootjes, merkte ze op dat Prassede en Pudenziana eruit zagen alsof ze wel eens naar de opticien konden gaan. Hun ogen staren inderdaad wat verward en scheel in de ruime. Heel apart. Een brilletje zou wonderen doen.

Getroffen keek ik haar aan. Ik draag al een bril sinds ik 4 jaar oud was. Wie is er dus geschikter dan ik om in de tussentijd de bril te zijn waardoor mensen hun verhaal leren kennen?

Inwendig glimlachend voeg ik toe aan mijn rijtje: mensen, geschiedenis, verhalen, Rome: en .. een bril.

Met Prassede en Pudenziana is het overigens slecht afgelopen: na een succesvolle carrière als volksheilige zijn ze in 1929 van de heiligenkalender gewipt omdat hun bestaan niet bewezen kon worden…. Zelfs heiligdom blijkt dus niet eeuwig en onaantastbaar. Gelukkig stond de kerk er toen al wat eeuwen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *