Column
Parel op de Aventijn: Hotel San Anselmo
Shirley Pigmans, juni 2010
Op een vroege zondagmorgen begeef ik mij op weg naar het beroemste sleutelgat van Rome. Op de Aventijnse heuvel over de Via Santa Sabina kom ik eerst aan bij Parco Savello, ook wel het 'park van de sinaasappels' genoemd. Dit vanwege de vele bomen gevuld met oranje vruchten die nu al blinken in de zon. Vanuit dit punt heb je een mooi zicht op de stad Rome te pakken. Het is er nog rustig. De enige aanwezige is een zwerver die ligt te slapen onder een deken. Van onder de heuvel stijgt het geroezemoes van het verkeer langs de Lungotevere omhoog maar bereikt het terazza panoramica net niet. Een kat balanceert op het randje en schiet gauw de tuin in.
Na de Parco Savello bezoek ik Santa Sabina. Het is stil en leeg in de kerk. Alleen de schuivende voetjes van een monnik in een lange witte pij zijn hoorbaar. 'Signore, posso fare una fotografia di Lei?' Even kijkt de monnik schuw naar me op waarna een klein zwart kammetje uit zijn zak te voorschijn komt. 'Eerst even mijn haar kammen', zegt hij. Het kammetje schuift schuin over een lok van zijn dikke zilvergrijze haardos. Daarna flitst mijn Canon door de Santa Sabina en heb ik een foto van een prachtige monnik naast het oude biechthokje.
Ik vervolg mijn weg naar de Piazza Cav. di Malta. Daar staan een paar toeristen samengeklonterd op een leeg, verlaten plein voor een grote deur. Aha, daar zal het dan moeten zijn? Ik kijk door het gat en zie in de verte de contouren van de mooiste koepel van Rome, de Sint Pieter. Ook dit magisch, Romeins plekje is weer ontdekt en kan ik toevoegen aan mijn memoires. Ik sla rechts een weg in en daal naar beneden de heuvel af. Ik hoor een Nederlands echtpaar. Gearmd en kussend lopen ze het pad af van een hotel. De prachtige en majesteuze entree van het hotel lokt mij naar binnen. Hotel San Anselmo ligt vlak bij de kerk S. Anselmo. De heilige waar deze kerk naar is vernoemd wilde al jong in het klooster. De vader van Anselmus was hier op tegen en verlangde een politieke loopbaan voor zijn zoon.
Maar de ware liefde laat zich niet sturen en Anselmus sloot zich later aan bij de Benedictijnen. Deze wilskracht is overal voelbaar in Rome. De prachtige stad flirt constant met je waarneming en daagt haar uit om meer te ontdekken. De pleinen en de monumenten lijken te fluisteren: durf de rand van een oppervlakkig leven te verlaten en volg je hart. Na een dag wandelen vormt een prachtig gestoffeerde kamer in dit hotel een frame bij uitstek om in alle rust na te genieten. Dit kan alleen maar is vooral een romantisch plekje voor twee.
Duwen en trekken
Ewout Kieckens, december 2007
Op de bank of het postkantoor, je moet altijd op je hoede zijn. Dagelijks worden in Italië acht bankovervallen gepleegd. Per jaar krijgen drieduizend banken bezoek van ciminelen. Dat is goed voor de helft van alle overvallen in Europa. Maar toch, Italië is bezaaid met bankfilialen waardoor de kans dat je een knal op je kop krijgt gering is. Nee, je hoeft niet op je hoede te zijn voor de met een nylonkous omhulde gezichten die je in de meest gekke Italiaanse accenten toebrullen, maar voor andere klanten die voor het loket wachten. Pikken ze je plek niet in?
Met voordringers voeren wij in Italië dagelijks een slag. Weliswaar moet je tegenwoordig op postkantoren en bij sommige overheidsinstellingen een volgnummertje trekken en op je beurt wachten, maar dan zijn er nogal allerlei inhaalmanoeuvres. Zo is er bij het kantoor van mijn deelgemeente een beambte wier enige taak het is om een volgnummer uit te delen. Zo'n machine van vlees en bloed heeft natuurlijk altijd een reservenummer achter de hand voor als zijn bloedverwanten voorbij komen.
In de metro kun je geen volgnummer trekken voor op het perron. Dat's jammer. Nu stopt de metro en posteert het volk zich voor de ingangen van het treinstel. Als de deuren zich openen drukt de horde zich naar binnen alsof dit de laatste mogelijkheid is om een door anthrax- poederaanval getroffen Rome te ontsnappen. Passagiers die voor het eerst de ondergrondse in Rome nemen, weten niet wat hen overkomt als ze willen uitstappen. Ze denken vast dat Rome weer door de 'barbaren' ten val wordt gebracht.
De irritatie bij Romeinen over zulk gedrag is minder groot dan je zou verwachten. Het is namelijk zo dat wie nu slachtoffer is van een voordringer zelf morgen een slachtoffer maakt. De goeden uiteraard daargelaten. Italianen zijn geen moraalridders die elkaar de les lezen. Weinigen houden je een spiegel voor. Of het moeten buitenlanders in hun eigen land zijn. Zo maakt een bezoek aan Londen altijd veel indruk. Niet wegens de hooggemutste wachters bij Buckingham Palace, die in hun oubolligheid in het niet vallen bij de Zwitserse gardisten in het Vaticaan, maar de discipline van het wachten. Ik hoorde laatst in de bus een tienermeisje die in Londen was geweest tegen een klasgenoot zeggen. "In Londen staan ze in een rij bij de bushalte." "Nee, joh, je maakt een grapje." "Het is echt zo. Ze stappen een voor een in". De jongen lachte van ongeloof.
Een Nederlander zou anders reageren. Een onderzoeksbureau peilde ergenissen van landgenoten. Stijf bovenaan staat voordringen en het bumper kleven kent eveneens een hoge irritatiegraad. Hé, ook al zo'n categorie waar het land van de Alfa Romeo hoog scoort.
En toch gaan we allemaal graag naar Italië. Ik begrijp het wel. De chaos heeft ook zijn charme. Ik was in de vorige eeuw eens op vakantie in een Siciliaans dorp en stak mijn hoofd om de hoek van een postkantoor. Verder kwam ik niet. Het lokaal stond nokvol met bejaarden -het was begin van de maand en dan worden de staatspensioenen gedistribueerd. Er was één loket open en de ouderen maakten herrie over wie aan de beurt was. Plotseling ging het raam van het loket dicht, een luxaflexje werd naar beneden getrokken. Het was één uur, de postbeambte ging eten. CAO is CAO. Na een korte stilte, barstte de herrie pas echt los. Het was als een scene uit een Fellini-film.
Er is nog een reden waarom Italië ook om dat duwen en trekken zoveel aantrekkingskracht heeft. Het lijkt alsof dingen mogen die in de lage landen niet kunnen. Met grote vaart een file voor een wegversmalling voorbij rijden en dan op het laatste moment invoegen? In Nederland word je ervoor gelynchd. In Italië niets bijzonders. Autorijden in Italië is hoe dan ook een verademing. Je krijgt alle tijd -zolang je niet dronken een ongeluk maakt, hetgeen helaas vaak genoeg gebeurt- te corrigeren. Je komt er plotseling achter dat je voor rood op een groot kruispunt niet rechts maar links moet afslaan. Geen punt, bij groen even horizontaal oversteken. Onderwijl blokkeer je drie stroken. Veel getoeter, hier en daar een woedend armgebaar, maar ook veel berusting en vooral geen vulgaire opgestoken middelvinger. Giuliano, een vriend van me, klaagde dat wij buitenlanders alleen de slechte dingen overnemen. Ik heb anders nooit een nylonkous over het hoofd getrokken.
Tosca in Teatro Flaiano: de opera leeft!
Als er één land de bakermat is van de opera is het natuurlijk Italië, maar opera's kunnen ook in Italië op de meest uiteenlopende manieren en plekken worden uitgevoerd. Het land biedt veel meer dan de klassieke Scala in Milaan en de Arena te Verona. Ook in de hoofdstad Rome is de keuze niet beperkt tot de bekende theaters Teatro dell' Opera of het nieuwe Auditorium. Het is minstens zo interessant om de kleine straatjes van Rome te verkennen op ontdekkingstocht naar alternatieve vormen van opera. Je moet ze natuurlijk wel weten, wat kan als je er woont of de juiste gids hebt die ze voor je heeft ontdekt.
Teatro Flaiano, RomeVoor een Nederlandse toerist die eens op een andere manier opera wil beleven is het bijna verborgen, maar toch heel centraal gelegen Romeinse theater Flaiano een gouden tip. Je zit hier niet tussen het bekende patroon van de klassieke, groots opgezette opera, maar bent in een klein, intiem theater, veel dichter betrokken bij de zangers en musici, terwijl de tijdsduur van negentig minuten voor menigeen dragelijker is (natuurlijk zijn alle highlights in de anderhalf uur aanwezig). De enscenering en de kostuums zijn klein maar compleet. Je wordt hier ook niet getrakteerd op het klassieke voltallige orkest, waarbij de dirigent vooraf stijf buigt voor de ver weg zittende applaudisserende zaal, maar op enkele jongere musici die in kleine bezetting met gebruikmaking van moderne techniek toch dezelfde klanken brengen. Maar het zijn zeker niet deze moderne instrumenten die centraal staan. Ze vormen meer dan bij de traditionele opera-uitvoering de begeleiding van de zangers.
In het theater Flaiano staat of valt de opera met de kwaliteit van deze veelal jonge talenten, voor wie het theater Flaiano de lakmoesproef is om nationaal en internationaal door te breken. De directrice van het theater, Rossana Siclari, is er van overtuigd dat de opera moet leven en alleen kan overleven als de toeschouwer veel meer letterlijk betrokken is bij de muziek. Na afloop moet je zingend het theater uitgaan, vat zij haar visie samen. Klassieke tenoren, die deftig in pose staan volgens de conventionele regels, worden naar huis gestuurd, dat is hier niet de bedoeling. De zaal is klein, persoonlijk en intiem. Vanaf de voorste rijen zie je de zangers op nog geen twee meter afstand zingen en acteren. Na afloop is het soms zelfs mogelijk om een of meerdere van de zangers te spreken. Zo had ik de eer om persoonlijk de jongedame te complimenteren die een uitstekende interpretatie van Puccini's Tosca had gegeven. Zij bleek een Amerikaanse te zijn, maar natuurlijk wordt er regelmatig gerouleerd tussen de verschillende casts.
Het concept lijkt inderdaad blijkt aan te slaan. Iedere avond is er altijd weer vele nieuwe liefhebbers die dit alternatieve theater verkiezen in het hart van Rome boven de klassieke theaters. In het theater Flaiano is geen ruimte voor het soms met klassieke opera gepaard gaande snobisme, maar wel voor wie de aankomende of zojuist doorgebroken talenten van dichtbij wil meemaken. Ook is het uiterst geschikt voor jonge mensen die eens kennis willen maken met opera's. Ook zij zullen op deze manier veel makkelijker bij de muziek betrokken raken. Terecht stelt de Italiaanse krant Ie Giornale dat met het theater Flaiano dat een klein monument voor de lyriek is geboren.
Groepsreis
In 1982 bezocht ik Rome voor het eerst. In het zesde jaar van het gymnasium mocht ik dan eindelijk zelf op dat zo luid bezongen Forum Romanum gaan wandelen. Een prototype groepsreis, als je met zo’n tachtig medescholieren naar Rome vliegt. Op dat moment had ik de vrijheid van het zelfstandig reizen nog niet ontdekt, dus had ik geen idee hoe het anders kon. Natuurlijk was alles geregeld. Dat was thuis toch ook zo? Het grote reisgezelschap beviel eigenlijk juist wel goed. Niet zo zeer vanwege de in hapklare brokken aangereikte toelichtingen van de gespecialiseerde docenten. Nee, dat was eigenlijk bijzaak. Belangrijker was om tien dagen in gezelschap van je klasgenoten te bivakkeren. Een hot item daarbij was om te laten zien dat je met het meegekregen zakgeld al aardig door de Italiaanse modezaken kon dartelen. En zo passant bezocht je dan ook wat oudheidkundige bezienswaardigheden. Het Colosseum en de San Clemente, met drie op elkaar gebouwde kerken, zijn toen het meest blijven hangen.
In 2003 doet zich een nieuwe gelegenheid voor. Mijn vriendin Sandrina, die al een tijdje reizen naar Italië begeleidt, organiseert haar eigen Romereis. Eén en twintig jaar na dato vind ik het wel tijd worden voor een weerzien. Ook verlang ik nu wel naar wat meer achtergronden bij deze fascinerende stad dan het verhaal van Remus en Romulus en hun wolvenmoeder. Meer dan als 17-jarige puber is de tijd is er rijp voor om me onder te dompelen in eeuwen geschiedenis. Ik vind het erg leuk om dit aan de hand van Sandrina als gids te gaan doen. Ik schrijf me in.
De groep bestaat uit 23 mensen. Een heel ander en vooral meer divers publiek dan tijdens mijn eerste Romereis. Eigenlijk had ik me daar vooraf geen voorstelling van gemaakt. Ik ging naar Rome: cultuur slurpen, over het Piazza Navona flaneren en ijs eten. Wel of niet in groepsverband, het maakte me niet uit. Pas toen ik in Rome was, realiseerde ik me dat ik met een groepsreis mee was. En dat was niet tijdens de kennismakingslunch en ook niet toen we op een schreeuw van de gids met zijn allen op het juiste moment de stadsbus uitkwamen. Nee, dat was toen we op dag twee het Forum Romanum betraden. Sandrina haalde een uitschuifbaar staafje uit haar tas. Daaraan zat een rood sjaaltje. Ze stak het in de lucht en liep voor ons gezelschap uit. Tussen de hordes Japanners door hoefden we alleen maar het rode sjaaltje te volgen. Even slikken, doch, ik moet zeggen, buitengewoon functioneel.
Anders had ik bijvoorbeeld nooit geweten dat de vroegere Senaat en het Volk niet alleen de trotse afzenders van de nog puntgave triomfboog van keizer Titus op het Forum zijn, maar ook van alle putdeksels van de Romeinse Gemeentewerken. Nog steeds zijn die namelijk allemaal voorzien van de titel S.P.Q.R., hetgeen de afkorting is van Senatus Populusque Romanus en betekent weer ‘de senaat en het volk van Rome‘. Ze liggen in Rome op alle straathoeken. Nog steeds.